Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
Les amis du néerlandais - Vrienden van het Nederlands

Iederen West-Vlaams

31 Mai 2013 , Rédigé par Les amis du néerlandais - Vrienden van het Nederlands Publié dans #dialecten

Kries Peeters, Rudy Demotte en Karl-Heinz Lambertz leren West-Vlaams

Les ministres présidents de Flandre, de la Wallonie et de la communauté germanophone essaient de parler le dialecte de Flandre Occidentale.

De Provincie West-Vlaanderen leerde ministers-presidenten Kris Peeters, Rudy Demotte en Karl-Heinz Lambertz West-Vlaams via de mobiele app ‘Iedereen West-Vlaams’.

Het resultaat daarvan werd in een filmpje gemonteerd en kan via www.iedereenwest-vlaams.be bekeken en verspreid worden. In de filmpjes proberen Peeters, Demotte en Lambertz enkele typische West-Vlaamse uitdrukkingen met een zo goed mogelijke West-Vlaamse tongval voor te lezen.

De ministers-presidenten waren enthousiast om aan de campagne ‘Iedereen West-Vlaams’ mee te werken en maakten zelf de selectie uit de 100 uitdrukkingen die in de app aan bod komen.

Doe jij beter?

Bovendien daagt de Provincie West-Vlaanderen jou uit om via een zelfgemaakt filmpje hetzelfde te doen.
(Niet-)West-Vlamingen die via een filmpje de app demonstreren, dit posten op facebook, de Provincie West-Vlaanderen ‘taggen’ en de meeste ‘vind-ik-leuks’ verzamelen, maken kans op één van de twintig wijn- of dessertboxen van de Provincie West-Vlaanderen. Deelnemen kan tot en met zondag 30 juni 2013.

Bron : http://www.west-vlaanderen.be/provincie/beleid_bestuur/iedereenwestvlaams/Pages/default.aspx

Andere filmjes kan u met deze link vinden : http://www.focus-wtv.tv/iedereen-west-vlaams

Lire la suite

Nieuw boek: Dutch: Biography of a language

28 Mai 2013 , Rédigé par Les amis du néerlandais - Vrienden van het Nederlands Publié dans #nederlandse taal

Nieuw boek: Dutch: Biography of a language

Roland Willemyns, emeritus professor in de Nederlandse taal aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB) schreef met ‘Dutch: Biography of a Language’ de eerste complete geschiedenis van de Nederlandse taal die beschikbaar is in het Engels.

Meer dan 22 miljoen mensen spreken Nederlands, natuurlijk vooral in Nederland en België, maar ook in Suriname en de Antillen. ‘In 1993 zat ik voor het eerst samen met Jan de Vries om de geschiedenis van het Nederlands te schrijven’ aldus Willemyns. ‘Toen was er niet nog niet zoveel geschreven over onze taal, maar de afgelopen twee decennia is er heel veel onderzoek gebeurd en is dat wel het geval. Ondertussen is Willemyns aan zijn vierde boek toe over het thema, het Engelstalig werk is niet zomaar een vertaling van eerdere publicaties, maar biedt een laatste stand van zaken van onze taal met al haar historische, geografische en sociale aspecten. ‘Ik heb het vaak beleefd dat buitenlandse collega’s mij zeiden hoe jammer ze het vonden dat er over de geschiedenis van het Nederlands zo goed als niets bestond in een andere taal dan het Nederlands.’ Het bleek dan maar een klus voor zijn emeritaat.

‘Het verhaal dat ik vertel is er een van taalcontact en -conflict’, zegt professor Willemyns. ‘Vanaf het prille begin had het Nederlands intens contact met talen binnen en buiten de grenzen van de Lage Landen, zoals Frans en Duits, en uiteraard ook Fries. Het boek schetst de ontwikkeling van het standaard Nederlands en zijn dialecten, en zoomt in het tweede deel in op het hedendaagse Nederlands en zijn dialecten, waarvan sommigen dreigen te verdwijnen.’

Belangrijke vragen die aan de orde worden gesteld, zijn de verspreiding van het Nederlands via de kolonisatie, wat leidde tot creolisering en het ontstaan van een ‘exotische’ taal als het Afrikaans. Ook de boutade, dat Nederlanders en Vlamingen gescheiden worden door dezelfde taal, komt aan bod. Ook wordt duidelijk gemaakt dat het Oudnederlands minstens vier eeuwen ouder is dan ‘hebban olla vogala’, onder meer door een Frankisch ‘zinnetje’.

Bron: De Standaard/Belga, 22 mei 2013.

The first comprehensive history of the Dutch language to be available in English

More than 22 million people speak Dutch-primarily in Holland, Belgium, Suriname, and the Antilles. This book offers a well-researched and highly readable survey of the language in all its historical, geographic, and social aspects. In addition to providing a general introduction to the evolution of Dutch, Willemyns pays special attention to oft-neglected topics, such as the question of whether Dutchmen and Flemings are separated by a common language, and the contentious matter of the spread of Dutch abroad through colonization, which led to "exotic" variations such as Afrikaans, pidgins, and creoles.
Dutch: Biography of a Language will appeal to students of Dutch and general readers interested in the history of the language.

Dutch: Biography of a Language, Oxford University Press, ISBN 978-0-19-985871-2 Price : £22,50.

Lire la suite

Nederlandici in het buitenland. Onderzoekers, lesgevers, bruggenbouwers en cultureel ambassadeurs?

23 Mai 2013 , Rédigé par Les amis du néerlandais - Vrienden van het Nederlands Publié dans #apprentissage

Nederlandici in het buitenland. Onderzoekers, lesgevers, bruggenbouwers en cultureel ambassadeurs?

Wie in het buitenland als neerlandicus aan de slag is, is niet alleen docent van de Nederlandse taal of literatuur en cultuur, maar ook onderzoeker en vaak bestuurder. Daarnaast vervult zij of hij nog een reeks van andere taken: fungeren als eerste aanspreekpunt voor vragen over de Nederlandse taal en literatuur, auteurslezingen organiseren, vertalen of aanzetten tot vertalen, ontvangen van gasten uit Nederland en Vlaanderen, kortom het bevorderen van de cultuur uit de Lage Landen in algemene zin.

Niemand zal het zijn ontgaan dat universitaire instellingen en docenten onder druk staan. Visitaties, zelfevaluaties, accrediteringen, een exponentiële toename van de administratieve taken, toenemende studentenaantallen, outputfinanciering, op maat gesneden studieaanbod, wetenschappelijke output naast de meetlat, enzovoort. Voor academici in het buitenland is het niet anders. Is er daarbij nog plaats voor een of andere vorm van “cultureel ambassadeurschap”? En vooral: beschouwen docenten dit zelf als hun taak en is hierin de laatste tijd wat veranderd?

Om hierover een beeld te krijgen legde Ons Erfdeel deze vragen voor aan een tachtigtal buitenlandse instituten waar Nederlands wordt gedoceerd. Er kwamen tweeëntwintig ingevulde antwoordformulieren terug. Ze waren afkomstig uit Spanje, Italië, Portugal, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Groot Brittannië, Zweden, Hongarije, Kroatië, Polen, Servië, Zuid-Afrika, Suriname, Indonesië en de Verenigde Staten. De situatie is in deze landen natuurlijk erg verschillend, zowel wat de status van het vak als de personele uitrusting betreft. Aan een aantal Europese universiteiten is het Nederlands een volwaardig en zelfstandig vak, aan andere is de opleiding Nederlands onderdeel van de Germanistik of wordt ze door eenmanslectoraten overeind gehouden. Afgezien van al deze verschillen en van het feit dat het slechts om een steekproef gaat, tekenen zich wel een paar tendensen en wensen in de antwoorden op de enquête af.

Een eerste vraag peilde naar wat docenten beschouwen als hun kerntaken. Deze werden

beschreven als: “onderzoek verrichten”, “college geven”, “cultuur uitdragen” of “andere”. In twee derde van de antwoorden wordt “cultuur uitdragen” als een van de twee of drie kerntaken aangekruist.

Opvallend daarbij is dat college geven altijd gepaard gaat met cultuur uitdragen. Net zo opvallend is dat in nagenoeg alle antwoorden waarbij de culturele taak niet werd aangekruist, het wetenschappelijk onderzoek als dé of als een van de kerntaken werd beschouwd.

Alle respondenten zien verschillen in hun taak ten overstaan van die van neerlandici in Vlaanderen of Nederland. Voor de meesten heeft dit verschil te maken met het feit dat ze in een andere culturele, talige en sociale omgeving werken: er zijn andere vanzelfsprekendheden schrijft iemand, de achtergrond van de studenten is verschillend, ze hebben vaak weinig of helemaal geen voorkennis van de Nederlandse taal en cultuur van de Lage Landen; je moet van nul beginnen. Een enkeling noemt een consequentie van deze andere context die tot in het wetenschappelijk onderzoek reikt: we moeten “ook in het onderzoek een breder terrein bestrijken”.

Enkele docenten wijzen op de institutionele positie van hun vak en de gevolgen daarvan. Sommigen moeten continu het bestaansrecht ervan binnen de eigen universiteit verdedigen of moeten flink investeren in het werven van studenten – “ik moet ze echt binnenhalen” – schrijft iemand, “we moeten interessanter en leuker en spannender zijn dan de andere kleine vakken”. Een docent uit Midden-Europa merkt op dat het allemaal zo’n vaart niet loopt met de verschillen: er is ook culturele en religieuze diversiteit binnen de Lage Landen. Op de centrale vraag of deze docenten vinden dat ze als neerlandicus in het buitenland als “cultureel ambassadeur” moeten optreden, antwoorden zeventien deelnemers positief. Voor een aantal staat deze taak direct in verbinding met hun onderwijsopdracht: de studenten kunnen ervan profiteren, culturele evenementen maken het onderwijs levendiger en aantrekkelijker. Over het belang voor de studenten is iedereen het eens. In de niet eens zo verre buitenlanden in Zuid-Europa wordt de docent als enige aanspreekpunt en informatiebron voor de Nederlandse taal en cultuur genoemd. Maar de docenten hebben ook een bredere doelgroep in het vizier.

Het overgrote deel vindt dat ze de Nederlandstalige cultuur ook buiten de muren van de universiteit uit moeten dragen en willen met culturele evenementen een breder publiek en ook nog andere geïnteresseerden dan de studenten bereiken. Overigens, zo merkt iemand op, dit is alweer niet zo veel anders dan in Vlaanderen en Nederlands, waar de universiteiten eveneens een maatschappelijke taak vervullen. Een expat wijst erop dat het “culturele bruggenbouwen” geen kwestie van eenrichtingsverkeer mag zijn. Het moet in beide richtingen gebeuren. Ook in Nederland en Vlaanderen is het nodig vooroordelen weg te nemen door er de cultuur van het buitenland bekender te maken, aldus deze docent.

Grenzen slechten moet gebeuren om de culturele mobiliteit te bevorderen.

Dit culturele transferluik of de bruggenbouwersfunctie heeft tevens een economische zijde. Meer interesse voor de cultuur van de Lage Landen betekent ook meer studenten en dus behoud van banen.

Het is gewoon een vorm van reclame voor het eigen onderwijs, schrijft iemand. Een docent antwoordt: “Ja, omdat de relevantie van het vak een belangrijke rol speelt bij de overlevingskansen van de vakgroep. De universiteit moet ervan overtuigd worden dat de vakgroep een bijdrage levert tot het prestige van de universiteit.” Een docent uit Midden-Europa merkt op dat ook zijn studenten deze winstgevende kant in het oog houden en niet zelden meer geïnteresseerd zijn in de cultuur van het bedrijfsleven dan in die van Vlaanderen en Nederland.

Er zijn ook enkele tegenstemmen, die – niet onverwacht – uit de hoek komen van academici die de wetenschappelijke taak hoog in het vaandel voeren. Geen cultureel ambassadeurschap, luidt het aan deze zijde, “omdat de universitaire kerntaken, onderzoek verrichten en onderwijs geven, meer een kwestie van professionele vakbeoefening dan van zendingsdrang” zijn. Kortom: “Omdat we geen culturele entrepreneurs, maar academici zijn.” Een enkeling uit het bezwaar dat wetenschap ingezet voor culturele promotie zichzelf tot voertuig van een nationale ideologie laat maken. Ongetwijfeld speelt hierbij de status van het vak een rol, of Nederlands als hoofdvak in een universitaire opleiding bestaat, dan wel als bij- of keuzevak binnen een omvattender talenopleiding of Germanistik.

Of de buitenlandse neerlandici een rol zouden moeten spelen in het buitenlandse culturele beleid van Nederland en Vlaanderen, daarover zijn de meningen verdeeld. Een vierde van de respondenten vindt dit niet wenselijk. De studie van de Nederlandse taal en letteren, die een academische onderzoekstaak is, is een functie die al voldoende mankracht vergt, aldus deze groep. De mogelijkheid om een adviserende stem te laten horen, zou door de meesten wel op prijs worden gesteld. Hun motivatie om inspraak te hebben, is dezelfde als van de groep die vindt dat zij buitenlands cultuurbeleid mee zouden moeten kunnen bepalen. Unisono klinkt dat zij beter op de hoogte zijn van de behoeften en situaties ter plekke dan de buitenlandse organisaties. Ze hebben de contacten en netwerken in het land zelf als troef. Officiële organisaties in het buitenland bereiken te vaak alleen de expats, schrijft iemand. De instituten daarentegen kunnen ook de cultureel geïnteresseerden van het buitenland zelf bereiken, “een doelgroep die veel nuttiger is voor het culturele beleid”. Of zoals iemand het formuleert: “Wij hebben de directe afnemers.”

Tot slot werd nog gevraagd welke culturele activiteiten er worden georganiseerd, hoe vaak en met wie. Negentien van de respondenten organiseren minstens twee culturele evenementen per jaar. Dat gaat van auteurslezingen, tentoonstellingen, filmvertoningen over vertaalworkshops en schrijfateliers tot een scholierenwedstrijd of een cultureel programma als luik bij een wetenschappelijk colloquium. Allen maken hierbij gebruik van ondersteuning door de Nederlandse Taalunie, bijna allen kunnen ook op de plaatselijke ambassades of cultureel attachés rekenen, al blijken de beurzen niet overal gelijk gevuld. Maar wat ze zelf als erg belangrijk aangeven: de samenwerking met culturele organisatoren ter plekke, het netwerk dat in de loop der jaren is opgebouwd.

De helft van de ondervraagde instituten stelt vast dat ze in vergelijking met vijf jaar geleden nog steeds evenveel culturele evenementen organiseren. Bij drie ondervraagden is het minder geworden, een ontwikkeling die te maken heeft met gekrompen financiële middelen en met veranderingen in het personeelsbestand. Een derde zegt dat ze momenteel meer

doen op het vlak van cultuurverspreiding dan vijf jaar geleden. De vooruitblikken naar de toekomst klinken hoopvol, of misschien eerder vastberaden en volhardend, want iedereen lijdt onder besparingen, zowel qua personeel als werkingsmiddelen. De kleine helft voorziet dat haar culturele activiteiten op hetzelfde peil zullen blijven, zes zijn hoopvol gestemd in de toekomst nog meer te kunnen presteren op dat vlak. Hier speelt de personele bezetting natuurlijk een rol, maar ook soms de vraag van de omgeving en in een enkel geval een grotere waardering van de universiteiten zelf, die zichtbaarheid op prijs stellen of een “gericht knowledge transfer-beleid” voeren.

Beschouwen neerlandici cultuuroverdracht aan en vanuit hun buitenlandse universiteit nu nog steeds als een van hun taken? Overwegend klinkt het antwoord hierop ja, mét een maar. Er is voldoende vrouw- en mankracht nodig. Zo wordt drie keer gewezen op de mogelijkheid van subsidies vanwege de Nederlandse Taalunie voor culturele presentaties in het buitenland, een aanbod dat men graag zou gebruiken, maar dat onhaalbaar is omdat niemand dit extra werk nog op zich kan nemen. Dezelfde verzuchting klinkt in een vraag om meer structurele steun voor culturele evenementen (zoals in het vroegere programma van de Nederlandse Taalunie: “cultuur buiten de muren”) om het omvangrijke werk dat projectaanvragen vergen, te kunnen beperken. Naast het punt van de teruggeschroefde personeelscapaciteit vormt een tweede zorg voor velen de inkrimping van de budgetten en van de ondersteuning vanuit de thuislanden. Er wordt geregeld beklemtoond dat men niet per se sturend op wil treden, maar een betere communicatie wenst tussen beleidsmakers en de mensen in het veld, zodat hier ook zuiniger en doelgerichter kan worden opgetreden.

We moeten echter ook vaststellen dat de professionalisering en academisering van de neerlandistiek in het buitenland op gespannen voet komen te staan met de functie van cultuurbemiddelaar, ambassadeur of vertaler. De verzuchting van Wikén Bonde (in Internationale Neerlandistiek 2009, 3) zou hier ook wel eens van toepassing kunnen zijn: “Academici worden steeds academischer en kortademiger naarmate hun financiering afhankelijker wordt van projectsubsidie.” De neerlandici aan buitenlandse universiteiten hebben de netwerken en contacten met een potentieel publiek en zijn doorgaans gedreven bruggenbouwers. Wat nodig is, verschilt geenszins met wat in de binnenlanden nodig is: mensen en middelen. De Nederlandse cultuur is te belangrijk om de cultuurverspreiding in het buitenland puur aan de marktwerking over te laten.

LUT MISSINNE

Bron : Ons Erfdeel, nr2, mei 2013.

Lut Missinne werd in 1960 geboren in Veurne.. Nu is ze verbonden aan de Westfälische Wilhelmsuniversität Münster, waar ze moderne Nederlandse literatuur doceert. Ondanks haar drukke agenda, maakte ze graag wat tijd om met ons te praten over haar werk en haar leven.

Lire la suite

Les dyslexiques et l'apprentissage d'une langue étrangère

17 Mai 2013 , Rédigé par Les amis du néerlandais - Vrienden van het Nederlands Publié dans #apprentissage

Les dyslexiques et l'apprentissage d'une langue étrangère

Le 29 mai, de 14 à 17 heures, l’ANBF (Association des Néerlandistes de Belgique francophone et de France) organise sa journée annuelle de la didactique. Cette journée aura lieu à la Haute École Francisco Ferrer (Bruxelles) et sera consacrée à la dyslexie et la didactique des langues étrangères.

Eline Van Kerckhove, logopède du centre d’expertise Code, rattaché à la Haute École Thomas More d'Anvers, est spécialisée dans les troubles de l’apprentissage et du langage. Après une introduction sur la dyslexie et les méprises qui s’y rapportent, elle approfondira les difficultés rencontrées par les dyslexiques dans l’apprentissage d’une langue étrangère, en l'occurrence le néerlandais. À cette occasion, elle donnera également des indications pratiques permettant d'accompagner efficacement les apprenants dyslexiques.

Attention : Inscription avant le 22 mai via le formulaire en ligne sur le site de l’ANBF.

Lire la suite

Dossier: de verengelsing van universitaire opleidingen

3 Mai 2013 , Rédigé par Les amis du néerlandais - Vrienden van het Nederlands Publié dans #taalbeleid

Dossier: de verengelsing van universitaire opleidingen

Dossier : l'anglicisation des cours à l'université

En France et en Flandre, on s'émeut, on s'inquiète des conséquences de l'anglicisation croissante des cours assurés à l'Université ou dans les Hautes (B) et Grandes écoles (F).

1. Une enquête annuelle réalisée par la Nederlandse Taalunie en 2010 révêlait l'avis de la population sur cette question :

70% van de Vlamingen is niet blij met Engels aan de universiteit

Wat denkt u? Spreken de leraren op school over 50 jaar allemaal Engels? Bijna niemand gelooft dat. Dat is heel anders als het over universiteiten gaat.

In hoog tempo neemt aan de universiteiten in Nederland het Engels de plaats in van het Nederlands. Op de Vlaamse universiteiten is het Engels nu nog beperkt tot heel specifieke vakken, maar vanaf 2014 kunnen ze volledig Engelstalige masteropleidingen oprichten. Sinds 2005 is de verwachting dat universiteiten over 50 jaar Engelstalig zijn, toegenomen. Maar liefst 45% van de Nederlanders zou niet verbaasd zijn als er over 50 jaar alleen nog maar colleges in het Engels worden gegeven. Dat is haast twee keer zoveel als de Vlamingen. Of ze dat erg zouden vinden? Van de Nederlanders vindt 50% het erg.

De andere helft heeft er geen moeite mee. Vlamingen staan meer pal voor het Nederlands: 70% vindt het erg als het Nederlands aan de universiteiten plaats maakt voor het Engels.

In Suriname is er een andere situatie. Daar worden heel veel talen gesproken. Maar op de scholen en aan de Anton de Kom Universiteit in Paramaribo wordt in het Nederlands les gegeven. Van de Surinaamse ondervraagden zou het 35% niet verbazen als de leraren op school over 50 jaar les geven in het Engels.

En 30% van de Surinamers denkt dat over 50 jaar de voertaal op hun universiteit wel eens het Engels zou kunnen zijn.

Een masteropleiding in het Engels, een goede zaak?

Wie ingenieur wil worden, politieke wetenschapper of kernfysicus, moet vakliteratuur lezen en daarvoor is het nodig dé wetenschappelijke taal bij uitstek te kennen, het Engels.

Daarbij komt dat deze specialisten moeten kunnen deelnemen aan internationale congressen, stages en dergelijke. Ze moeten ook werk kunnen vinden in andere landen.

Eén gemeenschappelijke taal van de wetenschap is dan een pluspunt.

Maar wat als een arts alleen maar in het Engels is opgeleid en een ziekteverloop moet bespreken met een patiënt? Of als een jurist die alleen wetteksten in het Engels heeft bestudeerd, een cliënt moet bijstaan in een proces? Dan moeten ze wel de taal van de mensen spreken.

Daarom heeft de adviesraad van de Taalunie (de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren) erop aangedrongen bacheloropleidingen en opleidingen voor beroepen waar je mensen mee helpt, in het Nederlands te houden.

Dat is ook belangrijk voor de taal. Als we de toekomst van het Nederlands willen verzekeren, dan moet onze taal in alle omstandigheden bruikbaar blijven. Ook in de wetenschap.

Ludo Permentier

Bron : Taalpeil 2010 (Nederlandse Taalunie)

2. En août 2010, le magazine Knack donnait la parole à Jos Devreese, physicien, professeur émérite à l'Université d'Anvers (B) et à l'Université Technique d'Eindhoven (NL) :

Pleidooi tegen meer verengelsing, Knack, 25 augustus 2010. Lire le texte original ici : https://www.box.com/s/h3arg7ulmi06glfhvxg8

Les autorités académiques flamandes justifient leur choix d'anglicisation pour développer l'attractivité des universités flamandes, pour permettre l'enseignement de connaissances de haut niveau de la part de professeurs invités et permettre l'expérience à l'étranger des étudiants flamands. Mais le professeur Jos Devreese lui considère que l'ouverture à l'anglais permis par le décret de 2003 est suffisant. Il s'inquiète de la dégradation de l'enseignement en néerlandais qui en résulterait si on allait plus loin. Pour lui, il faut réserver l'anglais aux enseignements de spécialisation en master ou aux enseignements post-master."Ce n'est pas plus d'anglais qu'il faut introduire, mais plus d'excellence dans l'enseignement".

Pour justifier son choix, il argumente que donner des cours en anglais conduit à une baisse de qualité des enseignements : beaucoup d'enseignants maîtrisent imparfaitement l'anglais ; les étudiants appréhendent plus difficilement encore la matière enseignée et puis, on le sait, la connaissance des termes spécialisés, les concepts et le savoir-faire ne sont plus maitrisés dans leur propre langue maternelle par les étudiants.

Jos Devreese pense qu'il s'agit finalement d'un manque de respect de la Flandre vis à vis de sa propre langue. Jos Devreese fait référence aux autres pays européens : "Pensez-vous que l'Italie, l'Allemagne ou la France ne vont pas persister à enseigner dans leur langue pour l'enseignerment supérieur ?"

3. En France, Jacques Attali revient sur la question de l'anglais dans l'enseignement supérieur dans l'Express d'avril 2013 : Il ne mâche pas ses mots pour dénoncer cette évolution : "on ne peut pas imaginer une idée plus stupide, plus contre-productive, plus dangereuse et plus contraire à l'intérêt de la France." ...."Passer à l'anglais serait renoncer à faire connaître notre culture, notre civilisation et notre art de vivre, qui constituent des atouts principaux de la marque France.

Il reprend une bonne partie de l'argumentaire du professeur Jos Devreese y compris celui du mauvais niveau d'anglais des enseignants à qui on demande d'enseigner en anglais :

"Quand nos cours excellent, comme c'est le cas, notamment, en mathématiques et en médecine, les étudiants se précipitent pour venir étudier en français et en France. Les chercheurs de ces disciplines peuvent même publier des articles en français dans des revues anglophones." ...."S'il est des réformes urgentes à entreprendre en ce domaine, elles sont radicalement inverses à celle qui est envisagée. Il faut améliorer :
1. La réception des étudiants étrangers en France, en simplifiant procédures de visa, formalités d'inscription, recherche de logement, délivrance des cartes de bibliothèque et de restaurant.
2. L'apprentissage de l'anglais par les doctorants français.
3. La qualité de nos enseignements en français, pour qu'ils gardent ou retrouvent un niveau mondial.
Si le Parlement était assez aveugle pour voter la réforme prévue, ce serait un signe de pl
us donné par la France de l'abandon d'elle-même."

Lire la suite