Overblog
Editer l'article Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
les amis du néerlandais - vrienden van het Nederlands

Nederlandici in het buitenland. Onderzoekers, lesgevers, bruggenbouwers en cultureel ambassadeurs?

Nederlandici in het buitenland. Onderzoekers, lesgevers, bruggenbouwers en cultureel ambassadeurs?

Wie in het buitenland als neerlandicus aan de slag is, is niet alleen docent van de Nederlandse taal of literatuur en cultuur, maar ook onderzoeker en vaak bestuurder. Daarnaast vervult zij of hij nog een reeks van andere taken: fungeren als eerste aanspreekpunt voor vragen over de Nederlandse taal en literatuur, auteurslezingen organiseren, vertalen of aanzetten tot vertalen, ontvangen van gasten uit Nederland en Vlaanderen, kortom het bevorderen van de cultuur uit de Lage Landen in algemene zin.

Niemand zal het zijn ontgaan dat universitaire instellingen en docenten onder druk staan. Visitaties, zelfevaluaties, accrediteringen, een exponentiële toename van de administratieve taken, toenemende studentenaantallen, outputfinanciering, op maat gesneden studieaanbod, wetenschappelijke output naast de meetlat, enzovoort. Voor academici in het buitenland is het niet anders. Is er daarbij nog plaats voor een of andere vorm van “cultureel ambassadeurschap”? En vooral: beschouwen docenten dit zelf als hun taak en is hierin de laatste tijd wat veranderd?

Om hierover een beeld te krijgen legde Ons Erfdeel deze vragen voor aan een tachtigtal buitenlandse instituten waar Nederlands wordt gedoceerd. Er kwamen tweeëntwintig ingevulde antwoordformulieren terug. Ze waren afkomstig uit Spanje, Italië, Portugal, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Groot Brittannië, Zweden, Hongarije, Kroatië, Polen, Servië, Zuid-Afrika, Suriname, Indonesië en de Verenigde Staten. De situatie is in deze landen natuurlijk erg verschillend, zowel wat de status van het vak als de personele uitrusting betreft. Aan een aantal Europese universiteiten is het Nederlands een volwaardig en zelfstandig vak, aan andere is de opleiding Nederlands onderdeel van de Germanistik of wordt ze door eenmanslectoraten overeind gehouden. Afgezien van al deze verschillen en van het feit dat het slechts om een steekproef gaat, tekenen zich wel een paar tendensen en wensen in de antwoorden op de enquête af.

Een eerste vraag peilde naar wat docenten beschouwen als hun kerntaken. Deze werden

beschreven als: “onderzoek verrichten”, “college geven”, “cultuur uitdragen” of “andere”. In twee derde van de antwoorden wordt “cultuur uitdragen” als een van de twee of drie kerntaken aangekruist.

Opvallend daarbij is dat college geven altijd gepaard gaat met cultuur uitdragen. Net zo opvallend is dat in nagenoeg alle antwoorden waarbij de culturele taak niet werd aangekruist, het wetenschappelijk onderzoek als dé of als een van de kerntaken werd beschouwd.

Alle respondenten zien verschillen in hun taak ten overstaan van die van neerlandici in Vlaanderen of Nederland. Voor de meesten heeft dit verschil te maken met het feit dat ze in een andere culturele, talige en sociale omgeving werken: er zijn andere vanzelfsprekendheden schrijft iemand, de achtergrond van de studenten is verschillend, ze hebben vaak weinig of helemaal geen voorkennis van de Nederlandse taal en cultuur van de Lage Landen; je moet van nul beginnen. Een enkeling noemt een consequentie van deze andere context die tot in het wetenschappelijk onderzoek reikt: we moeten “ook in het onderzoek een breder terrein bestrijken”.

Enkele docenten wijzen op de institutionele positie van hun vak en de gevolgen daarvan. Sommigen moeten continu het bestaansrecht ervan binnen de eigen universiteit verdedigen of moeten flink investeren in het werven van studenten – “ik moet ze echt binnenhalen” – schrijft iemand, “we moeten interessanter en leuker en spannender zijn dan de andere kleine vakken”. Een docent uit Midden-Europa merkt op dat het allemaal zo’n vaart niet loopt met de verschillen: er is ook culturele en religieuze diversiteit binnen de Lage Landen. Op de centrale vraag of deze docenten vinden dat ze als neerlandicus in het buitenland als “cultureel ambassadeur” moeten optreden, antwoorden zeventien deelnemers positief. Voor een aantal staat deze taak direct in verbinding met hun onderwijsopdracht: de studenten kunnen ervan profiteren, culturele evenementen maken het onderwijs levendiger en aantrekkelijker. Over het belang voor de studenten is iedereen het eens. In de niet eens zo verre buitenlanden in Zuid-Europa wordt de docent als enige aanspreekpunt en informatiebron voor de Nederlandse taal en cultuur genoemd. Maar de docenten hebben ook een bredere doelgroep in het vizier.

Het overgrote deel vindt dat ze de Nederlandstalige cultuur ook buiten de muren van de universiteit uit moeten dragen en willen met culturele evenementen een breder publiek en ook nog andere geïnteresseerden dan de studenten bereiken. Overigens, zo merkt iemand op, dit is alweer niet zo veel anders dan in Vlaanderen en Nederlands, waar de universiteiten eveneens een maatschappelijke taak vervullen. Een expat wijst erop dat het “culturele bruggenbouwen” geen kwestie van eenrichtingsverkeer mag zijn. Het moet in beide richtingen gebeuren. Ook in Nederland en Vlaanderen is het nodig vooroordelen weg te nemen door er de cultuur van het buitenland bekender te maken, aldus deze docent.

Grenzen slechten moet gebeuren om de culturele mobiliteit te bevorderen.

Dit culturele transferluik of de bruggenbouwersfunctie heeft tevens een economische zijde. Meer interesse voor de cultuur van de Lage Landen betekent ook meer studenten en dus behoud van banen.

Het is gewoon een vorm van reclame voor het eigen onderwijs, schrijft iemand. Een docent antwoordt: “Ja, omdat de relevantie van het vak een belangrijke rol speelt bij de overlevingskansen van de vakgroep. De universiteit moet ervan overtuigd worden dat de vakgroep een bijdrage levert tot het prestige van de universiteit.” Een docent uit Midden-Europa merkt op dat ook zijn studenten deze winstgevende kant in het oog houden en niet zelden meer geïnteresseerd zijn in de cultuur van het bedrijfsleven dan in die van Vlaanderen en Nederland.

Er zijn ook enkele tegenstemmen, die – niet onverwacht – uit de hoek komen van academici die de wetenschappelijke taak hoog in het vaandel voeren. Geen cultureel ambassadeurschap, luidt het aan deze zijde, “omdat de universitaire kerntaken, onderzoek verrichten en onderwijs geven, meer een kwestie van professionele vakbeoefening dan van zendingsdrang” zijn. Kortom: “Omdat we geen culturele entrepreneurs, maar academici zijn.” Een enkeling uit het bezwaar dat wetenschap ingezet voor culturele promotie zichzelf tot voertuig van een nationale ideologie laat maken. Ongetwijfeld speelt hierbij de status van het vak een rol, of Nederlands als hoofdvak in een universitaire opleiding bestaat, dan wel als bij- of keuzevak binnen een omvattender talenopleiding of Germanistik.

Of de buitenlandse neerlandici een rol zouden moeten spelen in het buitenlandse culturele beleid van Nederland en Vlaanderen, daarover zijn de meningen verdeeld. Een vierde van de respondenten vindt dit niet wenselijk. De studie van de Nederlandse taal en letteren, die een academische onderzoekstaak is, is een functie die al voldoende mankracht vergt, aldus deze groep. De mogelijkheid om een adviserende stem te laten horen, zou door de meesten wel op prijs worden gesteld. Hun motivatie om inspraak te hebben, is dezelfde als van de groep die vindt dat zij buitenlands cultuurbeleid mee zouden moeten kunnen bepalen. Unisono klinkt dat zij beter op de hoogte zijn van de behoeften en situaties ter plekke dan de buitenlandse organisaties. Ze hebben de contacten en netwerken in het land zelf als troef. Officiële organisaties in het buitenland bereiken te vaak alleen de expats, schrijft iemand. De instituten daarentegen kunnen ook de cultureel geïnteresseerden van het buitenland zelf bereiken, “een doelgroep die veel nuttiger is voor het culturele beleid”. Of zoals iemand het formuleert: “Wij hebben de directe afnemers.”

Tot slot werd nog gevraagd welke culturele activiteiten er worden georganiseerd, hoe vaak en met wie. Negentien van de respondenten organiseren minstens twee culturele evenementen per jaar. Dat gaat van auteurslezingen, tentoonstellingen, filmvertoningen over vertaalworkshops en schrijfateliers tot een scholierenwedstrijd of een cultureel programma als luik bij een wetenschappelijk colloquium. Allen maken hierbij gebruik van ondersteuning door de Nederlandse Taalunie, bijna allen kunnen ook op de plaatselijke ambassades of cultureel attachés rekenen, al blijken de beurzen niet overal gelijk gevuld. Maar wat ze zelf als erg belangrijk aangeven: de samenwerking met culturele organisatoren ter plekke, het netwerk dat in de loop der jaren is opgebouwd.

De helft van de ondervraagde instituten stelt vast dat ze in vergelijking met vijf jaar geleden nog steeds evenveel culturele evenementen organiseren. Bij drie ondervraagden is het minder geworden, een ontwikkeling die te maken heeft met gekrompen financiële middelen en met veranderingen in het personeelsbestand. Een derde zegt dat ze momenteel meer

doen op het vlak van cultuurverspreiding dan vijf jaar geleden. De vooruitblikken naar de toekomst klinken hoopvol, of misschien eerder vastberaden en volhardend, want iedereen lijdt onder besparingen, zowel qua personeel als werkingsmiddelen. De kleine helft voorziet dat haar culturele activiteiten op hetzelfde peil zullen blijven, zes zijn hoopvol gestemd in de toekomst nog meer te kunnen presteren op dat vlak. Hier speelt de personele bezetting natuurlijk een rol, maar ook soms de vraag van de omgeving en in een enkel geval een grotere waardering van de universiteiten zelf, die zichtbaarheid op prijs stellen of een “gericht knowledge transfer-beleid” voeren.

Beschouwen neerlandici cultuuroverdracht aan en vanuit hun buitenlandse universiteit nu nog steeds als een van hun taken? Overwegend klinkt het antwoord hierop ja, mét een maar. Er is voldoende vrouw- en mankracht nodig. Zo wordt drie keer gewezen op de mogelijkheid van subsidies vanwege de Nederlandse Taalunie voor culturele presentaties in het buitenland, een aanbod dat men graag zou gebruiken, maar dat onhaalbaar is omdat niemand dit extra werk nog op zich kan nemen. Dezelfde verzuchting klinkt in een vraag om meer structurele steun voor culturele evenementen (zoals in het vroegere programma van de Nederlandse Taalunie: “cultuur buiten de muren”) om het omvangrijke werk dat projectaanvragen vergen, te kunnen beperken. Naast het punt van de teruggeschroefde personeelscapaciteit vormt een tweede zorg voor velen de inkrimping van de budgetten en van de ondersteuning vanuit de thuislanden. Er wordt geregeld beklemtoond dat men niet per se sturend op wil treden, maar een betere communicatie wenst tussen beleidsmakers en de mensen in het veld, zodat hier ook zuiniger en doelgerichter kan worden opgetreden.

We moeten echter ook vaststellen dat de professionalisering en academisering van de neerlandistiek in het buitenland op gespannen voet komen te staan met de functie van cultuurbemiddelaar, ambassadeur of vertaler. De verzuchting van Wikén Bonde (in Internationale Neerlandistiek 2009, 3) zou hier ook wel eens van toepassing kunnen zijn: “Academici worden steeds academischer en kortademiger naarmate hun financiering afhankelijker wordt van projectsubsidie.” De neerlandici aan buitenlandse universiteiten hebben de netwerken en contacten met een potentieel publiek en zijn doorgaans gedreven bruggenbouwers. Wat nodig is, verschilt geenszins met wat in de binnenlanden nodig is: mensen en middelen. De Nederlandse cultuur is te belangrijk om de cultuurverspreiding in het buitenland puur aan de marktwerking over te laten.

LUT MISSINNE

Bron : Ons Erfdeel, nr2, mei 2013.

Lut Missinne werd in 1960 geboren in Veurne.. Nu is ze verbonden aan de Westfälische Wilhelmsuniversität Münster, waar ze moderne Nederlandse literatuur doceert. Ondanks haar drukke agenda, maakte ze graag wat tijd om met ons te praten over haar werk en haar leven.

Partager cet article
Repost0
Pour être informé des derniers articles, inscrivez vous :
Commenter cet article